Beldor
Beldor is de wil en de vorm. Samen met Krieg bouwde hij de wereld uit de elementen. Met machtige hamerslagen verdreef hij de duivels naar de Hel en demonen naar een andere wereld. Hij creëerde valleien, gletsjers en onder de bergen bouwde Hij een Rijk voor zijn volk. Krieg, de Sater, verwarmde de dwergen en Beldor tekende bescherming op hun lichamen. De vorm werd zijn wil. Een reusachtige rots verscheen elke avond op dezelfde plaats in de sterrenhemel, hoog boven het rijk van Beldor. De god aanschouwde het pure element en herinnerde zich zijn eeuwige taak. Hij nam zijn hamer en met een wolk van stoom vloog hij naar de rots. Hier zou hij het Nieuwe Rijk maken. Hier, terug in het begin der tijden, bevecht Beldor de duivels van de Rots en bouwt hij de vorm naar zijn wil. Eens werd er in het gevecht met de duivels een stuk van de rots geslagen, dat neerkwam in het Rijk. De duivels, die in de rots schuilden, overleefden de val en schonken leven aan Orken en ander gespuis.
“De taak overstijgt het leven, vorm de wil”
De architect, de bouwer. Hij die schept en maakt. Zijn leven is een bouwwerk, steen en ijzer, sterk en taai. Hij die de rots heeft bevrijd van de duivels en er nu een rijk voor de dwergen bouwt.
Van het begin tot het einde, en daar voorbij, zal hij bouwen en beschermen wat van de dwergen is. Zijn taak is bescherming en heling. Alles in alles, alles uit alles en alles voorbij alles.
Dwergentempels zijn enkel te vinden in dwergennederzettingen, maar hier en daar zijn tempels, gewijd aan Beldor en/of Krieg, te vinden. Priesters aanbidden de maan, waar Beldor zijn eeuwige taak afmaakt. De gelovigen variëren van mijnwerkers tot astrologen. Elke periode wordt er een mis gehouden ter ere van Beldor.