Den Heiland
In lang vervlogen tijden, toen de Dwergen de aarde regeerden, aanbaden de mensen hun eigen goden, in hutten, schuren of zelfs in catacomben. Ze baden voor gerechtigheid en om verlost te worden van hun heersers, de Dwergen. Ze verzamelden in het geheim en spraken van hoop, wraak en een eigen rijk. Hun goden leken zwak in vergelijking met de trotse en machtige Dwergengoden en de mensheid leek gedoemd te leven onder het juk van de Dwergen. Tot l’EnfantDieux in hun midden verscheen. Dit gebeurde op zeven verschillende plaatsen op hetzelfde moment.
Het Noorden
Hij verscheen eerst in het Noorden waar geen dwerg voet aan land had gezet en waar het leven van de Mensen paradijselijk was. Vrij van vijanden, ziekte, ouderdom of gevaar leefden zij in de Tuin van Enthé. Toen l’EnfantDieux tot hen kwam om hen te vragen het Al te eren voor de vrijheid die ze genoten, reageerden de inwoners verbaasd. “ Goden eren, waarom dan?” spraken zij. “Wij hebben alles wat we begeren. Melk en vlees van de koeien. Honing van de bijen, de streling van de zon die ons wekt, de verfrissing van de regen die de gewassen voedt. Ga heen, wij hebben geen nood aan Goden!”.
Maar L’EnfantDieux vertelde hen over de liefde en de genezing van Enthé, over het vuur van Sola, over de wijsheid van Ourthé en over de genade van Morth en nog steeds weigerden zij te geloven dat ze de goden te danken hadden voor hun gezegend bestaan.
Toen zij bleven weigeren hem te geloven onstak l’Enfantdieux in een blinde woede. “Gij zult leren hoe het is om haat te kennen. Niet langer zult gij gespaard zijn van ziekte. Nooit meer zal het vuur van Sola dit land verwarmen. Ourthé zal uw geest helder houden opdat gij nooit vergeet welke zonde je begaan hebt. Gij zult de geselen des tijds ondergaan en met kromme vingers door je grijze haren strelen. Gij zult de wereld intrekken en uw verhaal vertellen, gij zult dit doen tot Morth u komt halen!” Voor het eerst kleurde de hemel donkergrijs en er stak er een hevige koude wind op die de bladeren van de bomen rukten en hagelstenen verwoestten de gewassen.
De Mensen vluchtten weg uit de woestenij en verkondigden de komst van l’EnfantDieu. Vandaag de dag noemt men het vermoedelijke gebied dat ooit de “Tuin van Enthé” was “Oorden van Chaos ende Barbaren” omdat de woede van de goden er nog steeds voelbaar is.
Courtor
L’EnfantDieux verscheen ook onder de slaven van het land dat nu Courtor heet. Hij bevrijdde een aantal gladiatoren en leidde de slavenopstand die einde maakte aan de Dwergse overheersing in verschillende grote veldslagen.
Hij onstnapte met 70 à 80 anderen uit een school voor gladiatoren en vluchtte naar het noorden. Daar bouwde hij een leger op van naar schatting 70.000 ontsnapte slaven. Zijn leger versloeg twee Sousteraanse legioenen die gestuurd waren om de opstand te onderdrukken.
De winter na deze eerste strijd gebruikte hij om met zijn manschappen wapens en uitrustingen te maken voor zijn volgelingen. Ook vrouwen, kinderen en bejaarden schaarden zich aan zijn zijde. De daarop volgende lente nam hij de hoofdstad in en versloeg hij de drie legioenen die gestuurd waren om zijn opmars te stoppen.
Gesterkd door zijn overwinningen trok hij naar het noorden en bevrijdde ook daar de steden. Hij hield zich die winter op in de bergen. Sommige steden vielen zonder slag of stoot omdat de Dwergen zich terugtrokken richting Sousterra, hun slaven en dienaren achterlatend.
In een ultieme poging hun gebied te heroverren stuurde de Sousterraanse Keizer nog acht legioenen naar de hoofdstad om de macht van zijn vijand te breken. De briljantste Dwergengeneraals werden teruggeroepen maar niets mocht baten. Het leger van l’EnfantDieux verraste hen net over de bergen, nog voor ze zich konden groeperen. De acht legioenen werden afgeslacht, de overlevenden werden naar Sousteraanse gewoonte gekruisigd op de grens als voorbeeld en waarschuwing. Zevenduizend gekruisigde Sousteraanse legionairs vormden een tweehonderdvijftig kilometer lange grens waarover geen enkel legioen zich ooit nog waagde.
Tijdens de laatse beslissende slag verdween L’enfantDieux; enkel zijn helm en zijn zwaard werden teruggevonden.
Casta
In Casta lieten de Sousterraanse Procurators (Dwergse afgezanten van het Soesteraanse Senaat) toe dat de mensen openlijk hun eigen goden vereerden. De mensen kenden priesters en hadden tempels. Ze genoten ook een zekere vrijheid; zo waren ze geen eigendom maar vrije burgers die het recht hadden een beroep uit te oefenen en en gezin te hebben. Ze hadden recht op een eigen woning als ze die konden betalen. En ze hadden het voorrecht om belastingen te betalen aan het Sousteraanse Senaat. In ruil daarvan kregen ze bescherming en cultuur.
De procurators waren verantwoordelijk voor de vrede en belastingsinning. Sousterra stelde een bepaald belastingstarief vast dat afgedragen moest worden. Hier werd bijna altijd misbruik gemaakt door de procurator door meer te heffen dan nodig was en dat teveel in eigen zak te steken. Deze hoge belastingsdruk en de daardoor voortgekomen armoede was al een reden voor de Mensen om opstandig te worden. Toen de Sousteraanse Hogepriester in naam van Beldor de Tempel van Sabra opeiste was het keerpunt nabij.
Niet veel later eiste de procurator dat alle oude beelden en beeltenissen in alle tempels verwijderd en vervangen zouden worden door nieuwe beelden van Beldor en Krieg (met de gelaatstrekken van de procurator). Ditmaal weigerden de mensen. Omdat ze weigerden gaf de procurator het legioen de opdracht alle Mensentempels te plunderen en de priesters te kruisigen. Dit was het keerpunt en onder leiding van een vreemdeling stortten de mensen zich op de legionairs en vermoordden de procurator. De man stelde zich na de slag voor als l’EnfantDieux, hij was onder hen gekomen omdat de goden van het Al hun gebeden aanhoord hadden. Hij vertelde hen dat zij hun vrijheid moesten afdwingen en dat ze moesten opkomen voor hun geloof. Hij liet het paleis van de procurator leeghalen en verdeelde de rijkdommen onder de Mensen. Hij leerde hen de zieken te genezen en de zwakken te beschermen. Hij gaf hen de sleutel tot het Rijk van Morth.
Ondertussen stuurde het Sousteraanse senaat Generaal Vaspesius en vier legioenen om de opstand te breken. Vaspesius besloot over zee te gaan om de problemen in de Westelijke provincies te vermijden. Eens de klus geklaard wilde hij doorstoten over de bergen om zo de verloren gebieden in de tang te nemen met de legioenen die Sousterra naar het Westen zou sturen. Zijn troepen naderden snel en ongezien; getrainde elitetroepen tegen nauwelijks gewapende uitgehongerde burgers.
Vaspesius was geen slechte ziel, hij was bereid genadig te zijn tegen de mensen op voorwaarde dat ze hun leider zouden opgeven. Een paar steekpenningen hier en daar om oproerkraaiers naar zijn hand te zetten en de aanwezigheid van de troepen zorgden er voor dat de massa inging op zijn voorstel. L’enfantDieux werd gekneveld, geslagen en gebonden in zijn paleis aan hem overgeleverd. Vaspesius was een groot strateeg en militair en wou de man snel ombrengen, maar zijn vrouw Phillipa waarschuwde hem dat een martelaar soms meer macht had dan een Keizer. Ze raadde hem aan l’EnfantDieux niet zelf te doden maar dit over te laten aan de Mensen.
Vaspesius ontbood de hogepriester van de mensen en gaf hem de opdracht de ketter zelf te berechten volgens de gebruiken van de Dwergen. De hogepriester, Punus, zag zijn kans schoon om komaf te maken met de ketter die de orde verstoorde en om in een goed blaadje te komen bij Vaspesius. Op bevel van Vaspesius zou de man in het openbaar berecht worden en moest de hele stad aanwezig zijn.
Punus begon zijn betoog met de vraag: “Wat is jouw naam?” l’EnfantDieux, geknield, naakt, geslagen en geboeid, antwoorde: “Ik ben de Verlosser, de Liefde, het Vuur, de Wijsheid en de Dood. Ik ben Alles, en Alles is Mij.” Bij het horen van zo’n ketterse grootspraak sloeg Punus de man met zijn staf. Hij sloeg meerdere keren zo hard hij kon tot het bloed in het rond spatte.
Een paar druppels bloed raakten Vaspesius in het aangezicht. Hij voelde medelijden opkomen en had bewondering voor de man die zo genadeloos afgeranseld werd zonder te verpinken of te smeken. Hij greep de staf van Punus. De razernij ebde weg onder de krachtige greep van Vaspesius, en Punus bedaarde. “Je bent een ketter en een leugenaar, je beledigt de goden en maakt ons ten schande. In naam van het Al veroordeel ik jou tot de dood door kruisiging!” Gejuich ging door de massa. Mensen wierpen stenen en afval en riepen “Ketter!” en “Ter dood!”.
Een enkeling gooide zelfs zijn mes in de richting van l’EnfantDieux. Vaspesius reageerde bliksemsnel en zonder nadenken stapte hij voor het gegooide wapen. Het mes begroef zich in zijn harnas. Verbaasd staarde Vaspesius naar het heft, en zakte door zijn knieën, het bloed gulpte uit zijn mond. Snel vormden de legionairs phalanksen op elke uitgang van het plein, klaar om de menigte neer te maaien. Maar dan sprak l’EnfantDieux sprak tot Vaspesius. “Vaspesius, rijk mij je hand en leef, spaar mijn volk.” Niet-begrijpend stak Vaspesius zijn hand uit naar de mand, terwijl de plas bloed onder hem groter werd. Zodra hij hem had vastgegrepen verdween de pijn in zijn borst en viel het wapen kletterend op de grond; zijn harnas ongedeerd. Vaspesius hief zijn hand op en beval de legionairs hun aanval af te blazen.
“Jij hebt mijn leven gered”, sprak hij tot l’EnfantDieux, “Biecht op dat je gelogen hebt en ik zal je je vrijheid schenken, dat is mijn recht.” L’EnfantDieux antwoordde: “Je bent een goed man, Vaspesius, jij zal mij overleven en teruggaan naar je land. Je zal hen vertellen wat je gezien hebt en nooit meer terugkeren.” Punus liep rood aan van woede: “Oplichterij! Hij probeert u te bedriegen met illusie, ter dood met hem!” Ondanks zijn verwondingen en boeien ging l’EnfantDieux staan om het volk toe te spreken. “Jullie priester heeft gesproken, en ik zal zijn straf ondergaan. Nadat ik mijn laatste adem hebt uitgeblazen zal eenieder die niet echt gelooft in het Al met mij ten onder gaan. Vlucht over de bergen of over de zee. Alleen daar zal je veilig zijn voor mijn toorn”...
De dag van zijn kruisiging kwamen velen kijken. L’EnfantDieux werd met zonsopgang gekruisigd samen met andere misdadigers. Zijn doodsstrijd duurde tot de middag en nog steeds had hij niet een keer geklaagd. Vaspesius en Punus waren beiden aanwezig temidden een grote menigte Mensen en Dwergen. Vaspesius beval een legionair zijn speer af te geven en sprak tot L’EnfantDieux: “Vraag om genade en ik zal je uit je lijden verlossen”. “ Ik ben genade, Vaspesius, voor al wie in mij gelooft” antwoordde hij. “Vergeef mij dan”, sprak Vaspesius en hij stak de lans onder de ribben van l’EnfantDieux, recht in zijn hart.
Huilend liet Vaspesius zich op de knieen vallen : “Vergeef mij!”. L’EnfantDieux liet zijn laatste adem. Sommigen volgden het voorbeeld van de Dwergengeneraal en knielden. Het werd stil, alsof de wereld zijn adem inhield. Langzaamaan kleurde de hemel zwart als ware het midden in de nacht. En toen kwam het vuur. De hemel zelf brandde en sloeg te pletter op de aarde.
In een oogwenk werden de ongelovigen en de Dwergen weggevaagd. Er restte nog slechts een hoopje smeulende as waar zij zonet hadden gestaan. Ook het lichaam van l’EnfantDieux was verdwenen. Een mooie jonge vrouw en drie mannen stonden aan de voet van zijn kruis. De vrouw spak: “Punus, je werd misleid door je angst, maar je geloof in het Al is zuiver. Bouw een rijk in de naam van het Al.” Zij richtte zich tot Vaspesius en zei: “Keer terug naar je land, en vertel hen wat je hebt gezien”...